Oefening in geduld
12 januari 2011
Vandaag precies een jaar geleden werd Haïti getroffen door een zware aardbeving. Schattingen over het aantal doden lopen uiteen van 230.000 tot 305.000. Na de aardbeving kwam een internationale hulpactie op gang die ongekend was qua omvang. Een kleine €10 miljard werd gedoneerd door tientallen rijke en minder rijke landen. Ook vanuit Nederland werd veel gegeven. Alleen al Woord en Daad en ZOA Vluchtelingenzorg ontvingen een kleine €8 miljoen.
Al na enkele maanden, maar zeker nu een jaar om is, willen veel gevers in het rijke Westen resultaten zien. Wordt mijn gift niet over de balk gegooid? Waarom zitten die mensen nog steeds massaal in verregende tenten? Steken ze zelf de handen ook wel uit de mouwen? We moeten deze vragen niet zomaar terzijde leggen.
Veelal klinkt in de vragen ongeduld door. Mensen willen snel en klinkend resultaat zien. Alsof ontwikkelingshulp een soort Bison lijm is: ontvet de beide delen, druppel de lijm erop, klem de beide delen twintig minuten tegen elkaar aan, en u krijgt ze nooit weer los.
De werkelijkheid zit anders in elkaar. Tweede Kerstdag 2004 werden we opgeschrikt door de tsunami in de Indische Oceaan. Zes jaar en een paar weken later zijn er nog steeds groepen overlevenden die in opvangkampen zitten. (En even tussendoor: de vuurwerkramp in Enschede koste in 2000 aan 23 mensen het leven. Pas in 2008 werd de herbouw van de wijk afgerond, in aanwezigheid van de Koningin!)
De ramp in Haïti ligt nog maar een jaar achter. En de gevolgen van die ramp zijn veel complexer dan die van de tsunami. Proberen we ons even in te denken dat Nederland het land was dat in 2004 getroffen was door de tsunami: verwoeste dijken, weggeslagen duinen, havenstadjes zwaar getroffen, zeg maar de watersnood van 1953 en dan keer vijf. Vanuit heel Nederland stroomt de hulp toe. De infrastructuur in de rest van het land is intact en alle grote steden zijn onbeschadigd, op Den Haag na. De meeste ziekenhuizen en andere belangrijke voorzieningen zijn nog bruikbaar.
Denken we ons vervolgens in dat Nederland het land was dat op 12 januari 2010 getroffen was door de aardbeving. Den Haag ligt grotendeels plat, ook alle ministeries en het parlement. Balkenende zit in een tent op het Malieveld van waaruit hij orders geeft. Rotterdam is zwaar getroffen, de haven is onbruikbaar. Van Schiphol is nog maar één landingsbaan open. Want zo moeten we ons Port Au Prince voorstellen: Den Haag, Rotterdam en Schiphol inéén. De hartslagader van het land. Ziekenhuizen verwoest, aanvoerwegen onbegaanbaar. En vervolgens komen daar nog een verschrikkelijke cholera-epidemie en landelijke verkiezingen met politiek geweld overheen.
Ga er maar aan staan. In zo’n situatie geen Bison lijm. Voor zover geldgevers het ongeduld voelen kriebelen of zich zelfs ergeren aan (verondersteld) trage voortgang, zou het goed zijn als ze de omstandigheden meer op zich in lieten werken. En zich realiseerden hoe Haïti er nu aan toe zou zijn zonder tenten, noodhospitalen, water en sanitaire voorzieningen en tabletten tegen de cholera.
Er is echter ook een ander ongeduld, dat ik wel begrijpelijk vind. Ik bedoel nu niet zozeer het ongeduld van de hulpverleners en ontwikkelingswerkers, die zich uit de naad ploeteren om de situatie ter plekke te verbeteren. Maar vooral het ongeduld van vele Haïtianen die nog tentenkampen zitten. Het is tragisch dat er rijke Haïtianen zijn die een slaatje slaan uit de noodsituatie, bijvoorbeeld door grondprijzen op te drijven voor hulporganisaties die land nodig hebben. Het is even tragisch dat de politieke elite geen leiderschap en daadkracht toont. Maar het is onvermijdelijk om de ontheemde Haïtianen in de ogen te kijken. Het leed wat daaruit straalt vraagt onmiskenbaar ongeduldig om onze inzet, om hen te helpen weer op de rails te komen. Maar het vraagt ook om een oefening in geduld. Met hulp van Boven.
Door: Evert-Jan Brouwer, politiek adviseur Woord en Daad
|